Blogs Budhi-lezers
Bijna-dood ervaring
Als ze me ooit zouden ontvoeren – wat overigens niet voor de hand ligt, want ik heb geen geld en ben niet beroemd – en ze zouden het op de filmmanier aanpakken: dus prop in de mond, tape erover, handen en voeten knevelen om me vervolgens hup, achterin de kofferbak te stoppen, op weg naar een donkere kelder enzovoort, enzovoort, dan zou ik al morsdood zijn vóór we die akelige kelder bereikt zouden hebben.
Twee keer per jaar zie ik mezelf geconfronteerd met een bijna-dood-ervaring-door-verstikking, namelijk bij mijn tandarts.
Het zit namelijk zo: ik kan niets in mijn mond verdragen dat groter is dan een toverbal en als het wél groter is, dan moet ik er zelf de regie over hebben. Anders stik ik. Nou is het in mijn dagelijkse leven over het algemeen geen enkel probleem om niet te stikken. Niet met mijn bezigheden. Maar twee keer per jaar zie ik mezelf geconfronteerd met een bijna-dood-ervaring-door-verstikking, namelijk bij mijn tandarts.
Bij binnenkomst staat de tandartsstoel al – in tegenstelling tot ikzelf – in standje ‘relax’. De tv hangt er vrolijk boven, wat natuurlijk een schijnvertoning is. Vooral in het belang van de tandarts zelf, die de uitslag van het tennissen voor geen goud wil missen. Terwijl hij mijn mond al snel volpropt met van alles en nog wat en ik dus al bijna doodga, probeer ik krampachtig mijn yoga oefeningen te doen.
Ik prevel geruststellende mantra’s tegen mezelf en probeer krampachtig te denken aan alle leuke dingen in mijn leven.
Alsof ik tijdens zo’n ‘uniek’ moment niets beters te doen heb, dan mijn ademhaling naar mijn onderbuik te sturen. Het is een illusie te denken dat het daar ooit aankomt, want alles is verkrampt. Ik lul in gedachten de oren van mijn eigen hoofd. Niet dat ik op dit moment tegen de tandarts iets zou kúnnen of wíllen zeggen – ik zou toch niets fraais te melden hebben – want mijn mond zit vol haakjes en zuigertjes. Dus prevel ik geruststellende mantra’s tegen mezelf en probeer krampachtig te denken aan alle leuke dingen in mijn leven. Op datzelfde moment kom ik tot de trieste conclusie dat ik helemaal nóóit iets leuks meemaak. Ik kan het me nu in ieder geval niet herinneren.
“Probeer wat te ontspannen, Monique,” zegt die wolf in schaapskleren op een toon alsof hij tegen een vierjarige kleuter praat. Mijn ogen zenden wanhopige signalen naar hem uit. Ontspannen?! Alsof dat een kéuze is! Alsof dat tot de mogelijkheden behoort – hier en nu – met zijn vingers in mijn mond, een akelige boor in zijn hand en mijn mond vol kurkdroge watten. In iets wat me nu een vorig leven lijkt, vond ik deze man best aardig, maar ik kan me niet voorstellen dat ik dat ooit zelfs maar een milliseconde heb gedacht!
“Het zit erop,” zegt hij veel opgewekter, dan ik me voel.
Ondertussen voel ik hoe mijn kaken dreigen te exploderen onder de permanente druk. Net op het moment dat mijn bijna-dood ervaring griezelig echt wordt wegens te langdurige en dringende ademnood, is de verlossing nabij. “Het zit erop,” zegt hij veel opgewekter, dan ik me voel. Ik krabbel overeind en adem enigszins trillend een keer diep in. Ik zie een geamuseerde glimlach om zijn lippen. Héél even denk ik dat hij me uit gaat nodigen om een cadeautje uit de grabbelton te grabbelen wegens getoonde moed en doorzettingsvermogen. Maar wanneer hij mijn blik ziet, bedenkt hij zich. En dat is wijsheid. Er valt namelijk niet te spotten met de (bijna)dood en al helemáál niet met mijn leed!
Geschreven door Budhilezer Monique
Tags: Angst, moed, Tandarts























